Inloggen
Wachtwoord opvragen
Onthouden
Woordenlijst / begrippen
Door Act  |  11 November 2011 18:39 uur
Woordenlijst / begrippen Absurdistische structuur
Dit zijn stukken waarbij men bewust de klassieke verhaallijn loslaat om met ongerijmdheden van de structuur te laten zien hoe ongerijmd men de samenleving vindt. Sommige absurdistische stukken kennen een cyclische (cyclus: tijdskring) structuur: het eindigt net zoals het begonnen is waarmee aangetoond wordt dat er niets wez...

Actiemoment, speelmoment
moment in een toneelstuk dat in directe verbinding staat met een voorafgaand en volgend speelmoment. Het kan bovendien verbonden zijn met een moment in het verleden, heden of toekomst, of met de werkelijkheid buiten het toneelstuk.

Afschermen
(=) Wanneer een speler het publiek het zicht ontneemt op een medespeler die de focus zou moeten hebben, spreekt men van ´afschermen´. Kinderen hebben soms niet de publieksgerichtheid en het ruimtelijke inzicht om ervoor te zorgen dat de toeschouwers ook daadwerkelijk de belangrijkste informatie kunnen volgen, hebben n...

Aristotelische structuur
De gesloten dramastructuur, naar de Griekse theoreticus Aristoteles (384-322) geldt voor vrijwel de hele westerse toneelliteratuur vanaf de oude Grieken tot het begin van de 20e eeuw en meestal tot op heden. Een toneelstuk is geconstrueerd volgens de wet van de drie eenheden: eenheid van tijd, eenheid van plaats en eenheid van handeling. De eenheid...

Casting
(Eng.), rolbezetting, rolverdeling: rolbezetting in een film, show, televisie, of theaterstuk.

Deus ex machina
(Lat.: god uit de machine) Persoon of zaak die als reddende engel opeens op het toneel verschijnt; term uit de dramatiek, voor het eerst gebruikt door Plato. Wanneer Griekse dramaturgen de door hen opgeroepen conflicten niet zelf konden oplossen, voerden zij dikwijls een godheid ten tonele om de zaak recht te trekken. Deze godheid (deus) werd dan v...

Dulcinea
de denkbeeldige geliefde van Don Quichot, Dulcinea van Toboso, in de roman van Cervantes. Synoniem voor geliefde.

Epische structuur
In de 20e eeuw is naast de aristotelische structuur ook de open structuur van het episch drama gekomen. Het "epische" betekent dat het toneel verhalender wordt. De Duitse toneelschrijver Bertolt Brecht (1898-1956) is de theatermaker geweest die ieder meebeleven wilde voorkomen omdat volgens hem het gesloten systeem zou hinderen goed na te...

Gesticuleren
gebaren maken.

Lichaamstaal
communicatie door middel van lichaamshouding en/of gezichtsuitdrukking.

Moraliteit
de benaming voor een middeleeuws toneelspel uitgevoerd in de volkstaal. Kenmerkend voor de moraliteit is het optreden van allegorische personages, die de verpersoonlijking zijn van (on)deugden, en een didactische strekking, d.w.z. met het doel een morele les te leren.

P paljas
oorspronkelijk een met stro (Lat.: palea: stro) gevulde hansworst uit het Napolitaanse volkstheater. Te vergelijken met Pierrot. Zijn kostuum was rood-blauw-wit.

Performance
voorstelling waarin een kunstenaar zijn eigen lichaam als materiaal gebruikt om een idee te verbeelden.

Persiflage
spottende imitatie; een persiflage overdrijft enkele kenmerken van het origineel met de bedoeling dit belachelijk te maken.

Personificatie
persoonsverbeelding, levenloze dingen en begrippen als een persoon voorstellen op grond van een overeenkomst.

Perspectief
1. plaats van waaruit een object bekeken of in beeld gebracht wordt; onderscheiden worden het vogelvluchtperspectief, kikvorsperspectief en ooghoogteperspectief ; zie daar; 2. in literatuur: personage van waaruit een verhaal verteld wordt. Het perspectief kan bij een ik-, jij- of hij-verteller en bij een alwetende verteller liggen; 3. in beeldende ...

Vaudeville
luchtig muzikaal toneelstuk

W´s
Wie? Wat? Waarom? Waar? Wanneer? Vijf belangrijke vragen om een spel mee op te bouwen. 1. Wie ben je? (de rol die je in het drama speelt.) 2. Wat ben je aan het doen? (de handeling, dus wat er gebeurt in het drama.) 3. Waarom gebeurt dat? (Vanwege het probleem, het conflict waarop je gefocust bent.) 4. Waar speelt zich dit af? (De plaats van handel...

abele spelen
(abel betekent 'edel') moet beschouwd worden als het tegenovergestelde van 'religieus'. De abele spelen zijn inderdaad de oudst bekende nederlandstalige toneelstukken van wereldlijke (niet religueuze) aard. Ze gaan namelijk allemaal over de Liefde. De vier nog bewaarde stukken zijn: Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemerken, Vanden Winter ende v...

accessoires
spullen die bij het kostuum van een toneelspeler horen. Bijv. een hoed, sjaaltje enz.

achterdoek
Een meestal zwart gordijn dat op het podium hangt. Ook Fond*. Ervoor wordt de voorstelling gegeven.

acteren
toneelspelen, zonder dat je ziet dat er toneel gespeeld wordt. Meestal door een acteur/actrice. zie ook de startpagina voor acteurs.

acteur/actrice
toneelspeler/toneelspeelster

actualisering
aanpassen van de tekst, personages, omstandigheden naar een meer hedendaagse situatie

afbreken
Het opruimen van decors, rekwisieten* en wat er verder voor een voorstelling gebruikt is.

afdekken,
Op het toneel voor iemand anders gaan staan. (=) coucheren, afschermen

affiche
reclameboodschap bij theatervoorstellingen

afgang
als een toneelspeler het toneel verlaat, wordt dat een afgang genoemd. Als de speler ondertussen struikelt is dat een dubbele afgang.

afplakken
(=)x De plek waar tijdens een toneelstuk decor en attributen komen te staan.

akoestiek
De geluidskwaliteit van een zaal. Als de spelers niet overal hoorbaar zijn of het galmt erg, is de akoestiek slecht.

akte
(=)bedrijf

amateurs
liefhebbers, mensen die graag toneelspelen zonder er geld voor te krijgen.

amateurtoneel
toneelspel door liefhebbers van toneelspelen. 't Speeltoneel beoefent amateurtoneel met professionele insteek.

amfitheater
Een soort theater dat is uitgevonden door de Romeinen. Het lijkt wat op een stadion: beneden in het midden wordt gespeeld en de zitplaatsen eromheen lopen trapsgewijs op.

antagonist
een tegenspeler op toneel, tegenspeler van de hoofdrolspeler (protagonist). Door de Griekse tragedieschrijver Aschylus (5e eeuw v.C.) ingevoerd. Eerst deuteragonist genoemd, oftewel tweede speler.

anticlimax
opeenvolging van steeds zwakkere woorden of uitdrukkingen: schreeuwen - roepen - zeggen - fluisteren. In dramatisch werk wordt de anticlimax vaak toegepast om een zekere ontspanning te verkrijgen, waarna het hoogtepunt (de climax) des te meer indruk maakt.

antiheld
Personage in toneelstuk (of roman) dat qua beschrijving, gedrag, opvattingen enz. afwijkt van wat gebruikelijk is in deze genres. Personages uit absurde toneelstukken worden vaak als antihelden betiteld.

applaus halen
Als het publiek klapt, komen de spelers op het podium en buigen nederig als dank voor de spontane, of beleefde waardering van getoond spel.

applaus melken
De spelers komen weer naar voren als het publiek net wil ophouden met klappen. Zo zorgen ze ervoor dat het applaus langer duurt.

arenatoneel
Toneel in het midden waar de stoelen voor het publiek in een rondje omheen staan

articuleren
Duidelijk en nauwkeurig uitspreken, waardoor iedereen het goed verstaat.

artiestenfoyer
een bar bij de kleedkamers waar alleen de mensen die aan de voorstelling meewerken mogen komen.

auditie
voorspelen om te laten zien wat je kan. Zie ook: audities.nl

auteur
een schrijver. (=)toneelschrijver.

avant-première
voorstelling die plaatsvindt voor de eerste publieke voorstelling, vaak voor insiders.

bakkie
een schijnwerper in de vorm van een bakkie, spot.

balkon
platform met balustrade bovenaan in de schouwburg, deze zitplaatsen zijn vaak het goedkoopst gezien de afstand naar het toneel toe.

barndoor
verstelbare kleppen aan een spot, zodat je het licht kan sturen / uitlichten.

bars
zie trek

bedieningspaneel
een regeltafel met rijen knoppen en schuiven om het licht of het geluid te regelen, bij voorbeeld: de geluidstafel.

bedrijf
vroeger waren de toneelstukken in drie bedrijven verdeeld. Twee voor, en een na, de pauze. Tussen de bedrijven ging het doek dicht en konden ze het decor verwisselen. Tegenwoordig zijn er niet duidelijke bedrijven meer en gaat het doek niet altijd meer tussendoor dicht.

bezetting
de rolverdeling

bijfiguur
minder belangrijk personage of karakter in een toneelstuk.

bijgeloof
nogal veel bij het toneel, zoals niet fluiten op het podium. (vroeger was dat het signaal om de trekken ingang te zetten, dus er zou wat uit de lucht kunnen vallen.) zie ook toi toi toi

bijrol
een rol die niet de hoofdrol betreft. Er zijn kleine en grote bijrollen, allen zeer belangrijk. ("geen kleine rollen, wel kleine mensen." )

black out
(=)blank staan. Even totaal niets meer weten. Kan komen door overgeconcentreerd zijn. Kan ook donkerslag betekenen.

blacklight
ultraviolet licht in combinatie met witte verf of fluorescerende verf.

blank staan
voor een zaal toeschouwers op het podium staan en dan niet meer weten wat je moet zeggen. Tekst vergeten. (=Black out)

blijspel
positief, vrolijk toneelstuk, komedie

brandscherm
ijzeren wand tussen podium en zaal om te voorkomen dat de acteurs niets overkomt (of het publiek)

break-a-leg
Een succes wens. (=toi toi toi)

brochure
een toneeltekst. (=)script.

broodje
zwaar metalen blok. (=)kluiten Vaak gebruikt om (losstaande) panelen te verstevigen, zodat deze niet omvallen.

buiging
als dank voor het applaus nemen de toneelspelers deze nederige houding aan.

burleske
(of: burlesque) een kluchtig gedicht of blijspel, dat door het - met opzet aangebrachte - grote verschil tussen onderwerp en stijl karikaturaal en onnatuurlijk overkomt. Meestal wordt een hoogdravend onderwerp (goden, helden, geliefden) in zeer platte taal behandeld.De burleske is in de zestiende eeuw ontstaan in Italië. Het...

bühne
het toneel, de plek waar je speelt. (=) podium

cabaret
theatervorm, kleinkunstvorm met sketches, conférences en chansons waarbij op een satirisch-humoristische wijze politieke of actuele gebeurtenissen bekritiseerd worden. vaak is er sprake van direct contact met het publiek

cabotineren
overdreven spelen. (=)schmieren*

cast
(Eng.) alle spelers samen vormen de cast.

changement à vue
verandering van decor met open doek

changement
(sjansjement) verandering van decor tijdens de voorstelling.

choreutai
koorleden in Griekse klassieke tragedie, aangevoerd door een koorleider (exarchos).

chronos
in de Oudgriekse literatuur de personificatie van de tijd, voorgesteld als een oude, grijze man.

clacque
groepje mensen die speciaal komen om voor iemand te klappen. Soms worden ze ervoor betaald.

claus
passage (één woord of meerdere volzinnen) in een stuk voor een acteur na elkaar gesproken.

climax
hoogtepunt wanner de spanning tussen publiek en spel het hoogst is.

clown
(Eng.) komische toneelfiguur, hansworst, voortgekomen uit de ´stupidus´ van het klassieke Romeinse theater, de middeleeuwse hofnar en de Arlecchino uit de commedia dell´arte. In de loop van de 18e eeuw werd de clown populair in het circus, vervolgens ook in de pantomime.

coderen
verwachting wekken, bijv. de telefoon gaat, die pak je op.

comedia dell' arte
Renaissancetoneel, afkomstig uit Italië. Vaste personages met vastgelegde karaktertrekken. Teksten vanuit een verhaallijn die geheel improviserend wordt gespeeld; fysiek toneel. Enkele karakters zijn:Arlecchino (Harlekijn), Brighella, Colombina, Isabella, Dottore, Capitano, Pantalone, Pulcinella

coucheren
afdekken / afschermen

coulissen
zwarte gordijnen of schotten aan de zijkant van het toneel. Toneelspelers die op of afgaan lopen er tussendoor.

coulissensysteem
decorvorm van beweegbare zijpanelen die aan de achterkant verbonden zijn met het doek. Het coulissensysteem ontstond in de 17e eeuw en heeft als voordeel dat het diepte in het decor brengt, doordat de panelen schuin achter elkaar staan en beschilderd zijn.

coup de théatre
verrassende, onverwachte, zeer belangrijke wending in het handelingsverloop van een toneelstuk. Werd veelvuldig toegepast in het burgerlijk drama.

couperen
in de tekst knippen, iemand couperen: iemand zijn tekst niet laten uitspreken

cour
term voor de linkerkant van het podium vanuit de zaal gezien

crux
omslagpunt in het verhaal

cue
(kjoe) de wacht Het woord van je tegenspeler waarop je rekent om zelf te kunnen spreken. (Helaas is dit niet een betrouwbaar middel)

cyclorama
decorprojectie door een speciale toepassing van de belichting. Door middel van een cyclorama kan bijvoorbeeld een bewegende wolkenhemel op een scherm worden geprojecteerd.

debuut
eerste publieke optreden van een toneelspeler, zanger, danser, enz.

decoderen
(=) scoren verwachting inlossen. Onderdeel van een toneelstuk: coderen, stapelen, scoren

decor
alles wat op het toneel staat als de omgeving voor de toneelspelers.

dialoog
tweespraak, samenspraak tussen twee of meer mensen.

dictie
de manier van spreken.

doddelen
je verspreken

doek
het gordijn voor het toneel

donkerslag
als alle lichten die op het toneel gericht staan in een keer uitgaan.

doorloop
repetitie van het geheel.

draaitoneel
toneel dat draait, daardoor kan je snel decor wisselen of bepaalde effecten verkrijgen. Het eerste draaitoneel werd waarschijnlijk gemaakt door de Italiaanse architect Giacomo Torelli. Hij maakte rond 1645 een theater met een draaitoneel te Venetië, Italië

drama
toneelspel, toneelstuk, toneelwerk, oorspronkelijk treurspel. Het uitbeelden van het menselijk conflict door middel van woord en gebaar. (ook ramp, droevig voorval). Drama betekent in het Grieks handeling. Theaterwetenschappers maken een onderscheid tussen de tekst op papier (drama) en de opvoering op het toneel (toneel, theater).

dramatiek
afgeleid van het Griekse woord d??µa dat handeling betekent.Toneelkunst. Overeenkomstig de traditioneel geworden indeling van Aristoteles is dit uit een van de drie uitingsvormen binnen de literatuur: epiek (verhalende dichtkunst en proza), lyriek (poëzie) en dramatiek (toneel)

dramatis personae
(Lat.) de (in een stuk) optredende personen. In het toneel van de oudheid de drie hoofdrolspelers.

dramatisch
op het drama, het toneel betrekking hebbend, van de aard van of op de wijze van een drama: dramatische poëzie (toneelstukken in verzen), ook spectaculair, opzienbarend, een sterk effect hebbend.

dramaturg
een schrijver van drama's of toneelstukken en ook opera's. iemand die de geschiedenis van het toneelspelen kent.

dramaturgie
leer van de dramatische kunst. Oorspronkelijk het schrijven en opvoeren van drama´s. Tegenwoordig de theorie van het drama, gecombineerd met een verklaring van en een toelichting op de wetten die op de dramatiek van toepassing zijn. (Belangrijke werken op dit gebied zijn onderandere Aristoteles´ "Poëtica" (ca. 325 v.C.), ...

dubbelrol
als een speler meerdere rollen heeft in een toneelstuk, dan heeft hij een dubbelrol.

edelfigurant
zie figurant, maar met tekst.

eenakter
een toneelstuk in één bedrijf dat niet zo lang duurt.

eitje
een schijnwerper in de vorm van een eitje-zonder-kapje.

emotie-geheugen
een deel van ons geheugen waarin emotionele ervaringen uit het verleden liggen opgeslagen.

emotie
laten zien wat je voelt, zoals angst, jaloezie, haat, liefde, enz.

en ronde
publiek zit rondom het speelvlak

engelenbak
vroeger de hoogste en goedkoopste zitplaats.

ensceneren
(=) mise-en-scène

entr'acte
iets wat tussen twee bedrijven gebeurt.

entremeses
korte toneelspelen, soms vergezeld van zang, die in Spanje opgevoerd werden tussen de bedrijven van een groter toneelstuk (meestal tussen het eerste en tweede). Ze hadden dikwijls een komisch, soms een ironisch karakter. (begin 15e eeuw ontstaan)

epiloog
naspel, afsluiting. In een Grieks treurspel de slotrede. Vaak gebruikt om een samenvatting te geven van wat je gezien en gehoord hebt.

extemporeren
(=) schmieren

farce
(=) klucht, dolkomische vertoning

festival
feestelijk veel verschillende voorstellingen achter elkaar.

figurant
iemand die mee mag spelen maar niets hoeft te zeggen.

fits
een scharnier om 2 vakken mee aan elkaar te maken door middel van een krommer

fond
achterdoek

freeze
stokstijf staan, alsof je bevroren bent.

fresnel
theaterlamp, heeft als voordeel een egale lichtverdeling van de bundel, vooral wanneer er meerdere spots nodig zijn om één vlak uit te lichten.

fries
een smalle lange lap dat boven het toneel hangt, zodat het publiek in de zaal niet alle buizen en lampen boven het toneel zien hangen.

fysiek spel
Het in houding, beweging en gebaar omzetten van een rol of een begrip. Men loopt en beweegt als de rol en gaat dus niet zomaar wat staan praten, maar geeft er middels het eigen lijf vorm aan.

gaasdoek
is een doek met mazen in verschillende grote en kleuren, de meest gebruikt kleuren zijn wit, zwart en grijs. Het publiek ziet je niet als het licht vanuit de zaal erop schijnt. Met tule of gaasdoek kun je leuke effecten of sferen creëren.

garderobe
bewaarplaats voor jassen, tassen enz. (=)vestiaire

generale repetitie
de laatste repetitie voor de première

genre
type toneelstuk, bijv. komedie, klucht, tragedie, commedia dell'arte, enz.

gobo
een dun stukje lood, waarin bijv. een hartje uitgesneden is en gestopt in de gleuven van een schijnwerper.

grid
stelsel van buizen tegen het plafond, waaraan licht, decor of doeken zijn bevestigd.

grimeren
iemands gezicht beschilderen. (=schminken) Zie ook: grime.nl

grimeur
degene die grimeert.

halen
uitroep die betrekking heeft op het doek. "Gordijn open!"

hals-und-beinbruch
(=) toi toi toi, merde en break a leg. Succeswens

hoofdrol
De speler waar het verhaal omdraait.

horizonbak
een spot zonder lens die ontworpen is om een horizondoek zo egaal mogelijk aan te lichten.

horizondoek
een rechthoekig hangend doek, meestal lichtblauw. Hangt meestal aan de achterzijde van het podium en wordt gebruikt om diepte te creëren. Op een horizondoek kan men leuke projecties maken met licht en gobo's.

ijsberen
heen en weer lopen van het kast naar de muur en van de muur naar het kastje. Als je, je bijvoorbeeld wil concentreren voordat je opkomt kun je gaan ijsberen.

imitatie
nadoen van een persoon

impresario
iemand die theatervoorstellingen verkoopt aan theaters.

improvisatie
gaan spelen zonder van te voren wat af te spreken. (Zie ook Theatersportoefeningen)

ingénue
een jonge actrice, die lief en onschuldig kan overkomen.

innerlijke regie
Het interpreteren van het stuk. Ieder (toneel)stuk telt een of meer thema´s, en het is de taak van de regisseur tot een eigen visie te komen, die aan de thematiek de grootst mogelijke zeggingskracht verleent. De visie van de regisseur is bepalend voor alle elementen van de voorstelling (spel, decor, geluid, belichting, kostumering, enz.) en f...

inspelen
al spelend de slag, de juiste toon te pakken krijgen. Na een aantal (proef)voorstellingen moet een stuk 'ingespeeld' zijn.

inspiciënt
iemand die zorgt voor alle spullen op het toneel.

interactie
de manier waarop je omgaat, beïnvloedt, reageert op je medespeler / publiek.

interlude, interludium
een kort tussenspel (intermedium) tussen de delen van een toneelstuk of tijdens de pauze van een banket of hoffeest. In historisch opzicht volgden de interludes op de moraliteiten. (Lat. interludere: spelen tussen)

intrige
het verhaal, de voornaamste gebeurtenissen in een verhaal, film, toneelstuk; verwikkeling, plot.

italiaantje
(à l'italienne) tekstrepetitie op een manier zoals de Italianen spreken (vlug / automatisch / zonder nadenken)

jardin
de rechterkant van het podium, gezien vanuit de zaal

jeugdtheater
theater voor iedereen vanaf ongeveer vier jaar.

jeugdtoneel
toneel voor de jeugd, Bij 't Speeltoneel te Pijnacker vanaf 9 jaar. (Helaas wordt er gewerkt met wachtlijsten, dus..)

jeune premier
jonge mannelijke hoofdrol

kamertoneel
salon fermé. Ontstond in de 19e eeuw door het toneel geheel af te sluiten met drie wanden en een plafond.

kijkkasttoneel
zie lijsttoneel

klassiek
de Griekse of Romeinse Oudheid betreffend.

kleurfilter
gekleurd stuk glas of plastic dat voor de lens van een schijnwerper gezet kan worden om de kleur van het licht te veranderen.

kloten
(=) zware metalen blokken met een gleuf erin. Ze worden gebruikt om het decor op zijn plaats te houden. (Contragewicht voor de trekkenwand

klucht
toneelgenre bedoeld om leuk te zijn. Meestal persoonsverwisselingen, verwarringen en vele problemen die gedurende het stuk toenemen. Loopt positief af. Al in Griekenland bekend en populair (Aristophanes, ca. 445-ca. 385 v.C.). De Romeinen vonden, behalve in een eigen kluchttraditie, de zgn. Atellaanse klucht, afkomstig uit het stadje Atella in Camp...

kluiten
(=kloten) zware metalen blokken met een gleuf erin. Ze worden gebruikt om het decor op zijn plaats te houden. (Een contra gewicht voor de trekkenwand)

kluitenwagen
waar je de kluiten in stopt als contra gewicht voor de trek

knikkende knieën
wiebelende knieschijven bij plankenkoorts, niet te zien bij het publiek

komedie
toneelgenre: realistischer vorm van de klucht. Het verhaal over echte mensen die geconfronteerd worden met een probleem en daardoor een karakterontwikkeling doormaken. Loopt meestal positief af.

kostuum
pak.

krommer
een soort schanierpen om decors mee te monteren

lichtplan
een uitgewerkt plan waarop staat aangegeven waar welke schijnwerpers moeten hangen en wanneer ze aan of uit moeten.

lichttafel
een apparaat dat speciaal is ontworpen voor het bedienen van de theaterlampen tijdens een theatervoorstelling

lijsttoneel
podium hoger dan de eerste rijen in de zaal en en zit een lijst van muren omheen, zodat het toneel eruit ziet als een schilderij. 't Speeltoneel speelt in le Carillon te Pijnacker, een soort van lijsttoneel.

locatie
de plek waar het toneelstuk gespeeld wordt. Dit hoeft niet het theater te zijn, kan ook een fabriekshal, winkelcentrum, dorpsplein, zwembad, oude kerk, enz. zijn. Voorbeeld van een theatergroep die gebruik maakt van locatietoneel is "Dogtroep"

loge
in ouderwetse theaters afgescheiden groepje stoelen met eigen ingang.

manteau
lijst, zie lijsttoneel

maquette
een klein houten of kartonnen model van wat het decor moet worden.

masker
attribuut voor een acteur om zijn ware gezicht te verbergen.

masque
maskerade of maskerspel is een toneel-, muziek- en dansspektakel dat hoofdzakelijk in de 16de en 17de eeuw in aristocratische kringen populair was.

massaregie
de vorm van regie met veel figuren. In stukken met veel figuren (zwijgende rollen), bijvoorbeeld opstandig volk, ontwerpt de regisseur een passend bewegingspatroon.

matinee
middagvoorstelling

melodrama
toneelgenre; bijzonder treurig verhaal dat soms triest, soms hoopvol eindigt. "Het leven is een groot tranendal."

merde
Frans voor poep. In Vlaanderen gebruiken ze dat op dezelfde manier als toi-toi in Nederland.

mime
toneelgenre; gebarenspel zonder woorden, gebaar om gedachten, emoties e.d. uit te drukken. mimelariseren lijkt op mime, maar te klein, onecht. (bijv. telefoneren met duim en pink aan oor als hoorn)

mimespeler
iemand die het gebarenspel beoefent = mimicus, pantomimespeler

mimiek
gezichtsuitdrukking, maar ook gebarentaal.

mimus
(Gr. mimos: toneelspeler) Een van oorsprong Grieks toneelgenre (5e eeuw v.C.) dat in Rome al vroeg populair werd. Het dagelijks leven stond erin centraal. Het succes ervan berustte vooral op de obscene inhoud. De voorvallen werden voornamelijk door gebaren (pantomime) uitgebeeld. Herodas (ca. 3000-ca. 250 v.C.) gaf deze kluchten een literaire vorm....

mirakelspel
een middeleeuwse vorm van toneel die voortkwam uit het liturgisch drama. De mirakelspelen draaiden vooral om de verbeelding van heiligenlevens. Maria en andere heiligen speelden daarom een hoofdrol in de ontknoping In het Nederlands is Mariken van Nieumeghen (uit het begin van de 16e eeuw) het bekendste voorbeeld.

mise-en-scène
alle afspraken over de manier waarop de toneelspelers zich tijdens een voorstelling op het toneel bewegen; het zichtbare gedeelte van de regie.

monoloog
een gesprek met jezelf. Hardop.

muziektheater
theaterproducties met muziek, vaak musicals

mysteriespel
behoort tot de vroegste vormen van toneel in Europa Het spel ontstond in de kerk uit een vorm van aanschouwelijk onderwijs, waarbij geestelijken een gebeurtenis uit de bijbel verbeeldden via dialoog en beurtzang

nagalm
echo die soms hinderlijk kan zijn in een theater, maar ook soms kunstmatig gemaakt wordt voor bijzondere effecten.

no spel
of kortweg no (Jap.: no ), is een belangrijke vorm van klassiek Japans muzikaal drama dat sinds de 14e eeuw wordt uitgevoerd

nooduitgang
elk theater heeft extra uitgangen die alleen gebruikt mogen worden bij brand en paniek.

nulpunt
vast punt op het toneel, nuttig om te weten waar het midden is voor het zetten van decorstukken.

opbouwen
het decor en de rekwisieten op het toneel zetten.

open doekje
applaus midden in een voorstelling, omdat het publiek iets goed gespeeld of mooi gezegd of gezongen vindt.

openluchttheater
is een met zorg uitgekozen plek, waar de toeschouwers een voorstelling in de buitenlucht kunnen bijwonen. De oudste nog bestaande theaters vindt men in de landen rond de Middellandse Zee. Hier werden veelal religieus getinte voorstellingen gespeeld.

opera
toneelstuk waarom alle teksten gezongen wordt en muziek de handeling begeleidt.

opkomst
tussen de coulissen door het podium oplopen.

ovatie
slotapplaus van grote omvang van een kennelijk zeer tevreden publiek.

ovationeel, ovationele
het karakter dragend van een ovatie: een ovationeel applaus.
Alleen leden van Act kunnen reacties plaatsen.